Rubrieken
Agenda
De DM-Stichting
Hoe kan ik...
Nieuws
Vertaalvragen
Bijbelvertalingen
Links
Deze site heeft 273 leden,
waarvan 2 online
Bezoekers
Vandaag: 20
Colofon |
TWINTIG STELLINGEN
In het eerste nummer van de Amsterdamse Cahiers voor exegese en bijbelsetheologie schrijft Maria de Groot twintig stelling voor het vertalen. Niet alleen haar ervaring als theologe maar ook haar ervaring als neerlandica is hierin verwerkt.
De Dirk Monshouwer stichting wil deze stellingen graag als basis gebruiken.
TWINTIG STELLINGEN
Maria de Groot
I. De bijbel is een corpus van boeken die genetisch - temporeel verschillen, maar materieel bij elkaar horen. Hun overlevering als corpus (biblia = boeken = bijbel) bevestigt hun samenhang,
II. Vanuit literatuurwetenschappelijk oogpunt is de bijbel een verzameling van zeer verschillende teksttypen: verhalen, kronieken, psalmen, spreuken, poetische -, liturgische en didactische teksten, gelijkenissen, apocalyptiek etc.
III. Om tot een adequate vertaling te kunnen komen is een teksttheorie van de bijbel nodig, die de verschillende teksttypen beschrijft in hun structuur en functionaliteit en die de relaties van de bijbelgedeelten tot het gehele corpus vaststelt. De bijbelse teksttypen zullen bij een literatuurwetenschappelijke beschrijving altijd blijken af te wijken van de niet-bijbelse teksttypen.
De rijkdom van het bijbels denken manifesteert zich in het veelvoud van teksttypen.
IV. De minutieuze tekstkritiek en de tekstgeschiedenis bewijzen dat geleerden en lezers altijd van de zinvolle samenhang van bijbel, bijbelboeken en perikopen zijn uitgegaan, en ernaar hebben gezocht, ondanks het accidentele karakter van het corpus.
V. De citaten die uit het ene bijbelboek in het andere worden gegeven en de verwijzingen naar in de teksten al genoemde personen, bevestigen, geheel afgezien van de theologische interpretatie, de samenhang van de boeken nog eens te meer .
VI. De betekenissamenhang in de bijbel zou men schriftuur kunnen noemen. Deze schriftuur (benaming geïnspireerd door ketubim, heilige schrift e.d.) is joods van signatuur. De schriftuur manifesteert zich materieel in de textuur (weefsel) van letters, lettergrepen, woorden, woordenreeksen etc.
VII. Omdat de schriftuur een betekenissamenhang vertoont (verbond God - mens, de naam, de dialoog, de rest, de gerechtigheid, de messias, het lijden, de verlossing, dus: een onderling afhankelijke veelheid van waardeconcepten), zal ook de textuur in zijn taalgebruik, woord - volgorde, woordherhaling, correspondentie, interpunctie e.d. deze samenhang vertonen. Omgekeerd kan men door analyse van de textuur de samenhang van de schriftuur aantonen.
VIII. In de bijbelse teksttypen kan zowel de schriftuur als de textuur dominant zijn. Wanneer de schriftuur domineert zal dat tot uiting komen in b.v. woordherhalingen (bijbelse topoi, die een isotopie vormen in de schriftuur), directe rede, cruces interpretationis, het tetragrammaton, kroniek, genealogie. De textuur domineert in de poëtische teksten (de psalmen, profetieën, spreuken, apocalyptiek, gelijkenissen etc.), d.w.z. de auteur (spreker) is meer gericht op de tekstuele inkleding van de boodschap zelf dan op dat gene waarnaar de boodschap verwijst.
IX. Hiermee hangt samen dat de esthetische kwaliteit van bijbelgedeelten waarin de textuur domineert groter is dan die waarin de schriftuur domineert.
X. De literatuurwetenschappelijke en linguïstische beschrijving van poëtische taal kan verduidelijken wat bedoeld wordt met de uitspraak in de oorspronkelijke richtlijn III (voor de "Gemeenschappelijke Bijbelvertaling): dat een poëtisch stuk ook poëtisch vertaald wordt en dat men in een stuk, dat een geladen stijl heeft, tracht die geladenheid ook in de vertaling te benaderen. Zo kan men b. v. met Wheelwright zeggen, dat het atomaire deel van poëtische taal het plurisign is, waarvan de betekenis gedeeltelijk door de context wordt bepaald, meervoudig is, waarvan een betekenis denotatief en de and ere connotatief, of dat zuiver evocatief is van aard.
XI. De evangeliën behoren tot een klasse teksten die afwijkt van de niet-bijbelse als novelle, roman etc. Een literaire imitatie van deze bijzondere teksten vindt men b.v. in de heiligenlevens.
XII. Ook in de evangeliën komen gedeelten voor waarin de textuur domineert over de schriftuur (de lofzang van Maria, de zaligsprekingen, de gelijkenissen). De dominantie van de schriftuur over de textuur als geheel komt tot uiting in de compositie, de repetitieve signalen en correspondenties, die op functionele wijze de betekenissamenhang overdragen. In de parallellismus membrorum krijgt de verteltechniek een esthetische kwaliteit: de textuur vertoont ritme en klankpatronen.
XIII. Een z.g. concordante bijbelvertaling, beter: een adequate vertaling, is een vertaling waarin de schriftuur en textuur van het oorspronkelijke corpus in hun complexe relatie zoveel mogelijk recht wordt gedaan. Met een dergelijke vertaling kan men "lernen", d.w.z. de joodse traditie van de omgang met de joods-christelijke schriftuur voortzetten en de inzichten omzetten in eigentijdse textuur van toespraak en praxis.
XIV. Een systematische kritiek van bestaande bijbelvertalingen is noodzakelijk. Door de vertaling terug te vertalen in het vertaalde kan men vaststellen wat van de oorspronkelijke tekst is verloren gegaan. Psycholinguistische experimenten hebben aangetoond, dat de vertaler de neiging heeft te generaliseren (men kiest een algemenere term dan in de oorspronkelijke tekst, dit werkt vooral bij geluidsweergave verarmend) en te normaliseren (de vertaler probeert logische relaties te forceren en breuken weg te werken). De stijl van de oorspronkelijke tekst kan daardoor grondig worden veranderd.
XV. De woordherhaling bij b.v. Marcus kan men alleen op oncontroleerbare gronden toeschrijven aan taalarmoede. Het behoort tot de ethiek van het vertalen om de te vertalen tekst zo authentiek mogelijk weer te geven en de auteur niet te corrigeren of de tekst te verfraaien. Deze ethische methode is tegelijk de meest wetenschappelijke.
XVI. Elke vertaling is een interpretatie. Aan de vertaling zal daarom zoveel mogelijk de interpretatie vooraf moeten gaan, zodat men zich ervan bewust is welke polyinterpretabiliteit in de vertaling bewaard moet blijven.
XVII. Een vertaling die de eigenaardigheden en overeenkomsten van de oorspronkelijke textuur zoveel mogelijk volgt, loopt het minst gevaar gedeelten van de schriftuur te verliezen.
XVIII. Is een selectie uit de interpretatieve mogelijkheden op vertaaltechnische gronden onontkoombaar, dan kan men dit in een noot bij de tekst verantwoorden. Men ontneemt de lezer dan niet de mogelijkheid om te "lernen".
XIX. De bijbelteksten zijn weinig of niet redundant, d. w .z. er zijn geen overbodige elementen in de tekst. Er wordt veel informatie in weinig woorden overgedragen: dit is een van de oorzaken van de moeilijkheid van bijbelteksten. Hieruit volgt: elk woord is functioneel en in principe theologisch relevant. En: de vertaling zal evenmin redundant moeten zijn. Uitleg en commentaar behoren niet tot de taal van de oorspronkelijke tekst, maar tot de metataal.
XX. Het hapax legomenon en andere zeldzame woorden of ongewone metaforen in de bijbelse textuur kunnen door onverwachtheid en onwaarschijnlijkheid veel informatie overdragen. De vertaler kan proberen ook deze bijzondere relatie tussen textuur en schriftuur te behouden, hetgeen kan stimuleren tot taalcreatie.
|