Rubrieken
Agenda
De DM-Stichting
Hoe kan ik...
Nieuws
Vertaalvragen
Bijbelvertalingen
Links
Deze site heeft 273 leden,
waarvan 2 online
Bezoekers
Vandaag: 15
Colofon |
Vertellen in de tegenwoordige tijd?
Op de vertalersdag van de Dirk Monshouwer Stichting, op 23 mei 2008, was er tussen vele interessante bijdragen geen plaats meer voor onderstaande notitie over voor- en nadelen van het gebruik van het presens als verteltijd.
Vertellen in het nu
Wie de Naardense bijbel openslaat, merkt het meteen: de standaard verteltijd is de tegenwoordige tijd. Pieter Oussoren zet de Hebreeuwse narratief om in een Nederlandse o.t.t (onvoltooid tegenwoordige tijd). Hetzelfde geldt voor de aoristus in het NT Grieks. De standaard verteltijd is dus presens.
In het boekje Van aanschijn tot zaaizaad. In gesprek met de vertaler van de Naardense Bijbel. Vught (Skandalon) 2007, geeft Oussoren in de vorm van een interview toelichting op zijn vertaalkeuzes, en verklaart hij als volgt, waarom hij voor het presens kiest:
* Wetenschappelijk kan het zijns inziens: dat narratief en aoristus de verteltijden zijn, daarover zijn we het wel eens, maar hoe geef je die weer?
* André Chouraqui is voor hem een belangrijk getuige. Oussoren beschouwt Chouraqui, een Jood met Islamitische vader die woont in Jeruzalem (en die OT, NT én Koran heeft vertaald!), als bijna een native speaker van het bijbels Hebreeuws. Hij vertaalt in het Frans présents, dus dat zegt hem veel.
* Als je naar Johan Cruyff en Majoor Boshardt luistert, hoor je dat Amsterdammers graag in de tegenwoordige tijd vertellen. Dat betrekt de lezer meer bij het verhaal. Wie spannend vertelt, vertelt in de tegenwoordige tijd, dat geldt ook voor literatuur. Hij schat dat de verdeling in Nederlandse romans 80%-20% is, overwegend vertelt men in de verleden tijd, maar het kán dus wel.
argumenten
Is het daarmee dus een kwestie van smaak, stijl? Niet helemaal, er is iets meer over te zeggen. In Met andere woorden, kwartaalblad van het NBG, stond kort geleden een artikel van Theo Janssen over deze kwestie (27e jaarg., maart 2008, blz. 32-43). Janssen is emeritus hoogleraar taalkunde/taalbeheersing van het Nederlands, en een van de supervisoren van de NBV. Hij onderscheidt drie vertelwijzen:
* presentisch de ott, vtt, ttt en ottt, vier samenhangende vormen. Geen verschil in tijd tussen verteller en hoorder/lezer.
* preteritaal dezelfde tijden maar dan verleden: ovt, vvt, enz. Wél verschil tussen verteller en lezer, oriëntatiepunt ligt in het verleden.
* historisch-presentisch een gebruik van presentische werkwoordsvormen, terwijl de context (qua tijdsbepalingen) niettemin wijst op gebeurtenissen in het verleden.
Voor de laatste situatie – want daar hebben we het over – geeft hij verschillende mogelijkheden: het foto-onderschrift: het moment van de foto wordt bepalend, en dat ligt in het verleden. Geagiteerd vertellen: ‘Kom ik op straat ... tegen, zegt ‘ie tegen mij.’ Daar is wél sprake van actualiseren. Maar het staat of valt er niet mee, het werkt niet altijd, en het kan ook zonder. Je zou nog toe kunnen voegen: vertellen voor kinderen. Dat doe je bij voorkeur presentisch.
Janssen geeft een aantal argumenten, om niet presentisch te vertalen. Daarvan zijn er een paar volgens mij niet zo geldig: de traditie, we zijn eraan gewend – dat kun je wegstrepen tegen de wens, om een vertaling verrassend en ‘als nieuw’ te laten klinken. Eveneens niet zo geslaagd vind ik sommige van zijn voorbeelden, die heel historiserend zijn: uit de vertaling komt de lezer er niet achter, hoe het gebeurd is – dat gaat uit van een heel bepaalde visie op een verhaal, als een feitenverslag. En dat is precies wat mij in Oussorens argumentatie aanspreekt: het wordt geen geschiedenis maar vertelling.
Voor het Hebreeuws laat hij het verder een beetje liggen, hij constateert dat er eigenlijk geen tijdensysteem is. Klopt, maar daarmee is nog niet alles gezegd. Mijn probleem met Oussoren is, dat hij de afwisselingen in de Hebreeuwse tijden té star vertaalt: elke suffixconjugatie – perfectum – wordt als voltooide tijd vertaald, zelfs waar er een duidelijke grammaticale reden is:
God roept tot het licht ‘dag’,
en tot de duisternis heeft hij geroepen ‘nacht.’ (Gen. 1,5)
De reden is voor de wisseling narratief/perfectum is het chiasme: een narratief doet daar niet aan mee want die kan alleen vóóraan de zin staan. Maar de argeloze lezer gaat zich vragen stellen: heeft God dus al éérder de duisternis bij zijn naam geroepen?? Dat is niet terzake, en leidt af van wat de tekst wél wil zeggen. In feite vertaal je zo idioom, taaleigenschap.
Andere reden voor tempuswisseling: een (im)perfectum met ontkenning onderbreekt de vertelgang van de narratieven (die geen ontkenning verdragen), of er volgt een nominale zin met participium – Gen. 2,10,
“Een rivier trekt uit Eden naar buiten....”
Hier wisselt de grammaticale vorm voor een aantal verzen (10-14), maar bij Oussoren zien we daarvan niets terug in de vertaling. Het grappige is, dat nota bene de NBV hier wél de tijden signaleert, en deze passage over de rivieren in het presens weergeeft, als onderbreking van het verhaal (dat zij in de verleden tijd vertellen)!
Janssen wijst nog op een paar plaatsen waar Oussoren wél ineens in de verleden tijd vertelt, bijv. bij de inleiding van het boek Job. “Er was eens een man...” Hij komt niet uit de vraag, wat hiervan de bedoeling is. Ik zou dat ook niet weten: wil de Naardense Bijbel dit nu ineens neerzetten als een sprookje? Dat lijkt me onwaarschijnlijk.
Janssen gaat meer in op het Grieks, dat wél een tijdenstelsel heeft dat vergelijkbaar is met het onze, en dat ook een eigen presens historicum heeft. Het kán dus, presentisch vertellen, maar het wordt spaarzaam gebruikt. Een voorbeeld dat ik in mijn artikel ‘Bijbelvertalen na de Naardense Bijbel’ in datzelfde Van aanschijn tot zaaizaad geef: Johannes 2. Het begint in de aoristus, εγενετο, en dan begint de actie als Jezus’ moeder optreedt: λεγει - zij zegt. Presens historicum. Er had ook ελεγεν - zij zei, kunnen staan, maar dit is actiever en directer. Als je al meteen presens vertaalt bij de aoristi, kun je dat verschil niet meer zichtbaar maken.
Conclusie
Hoewel ik deels andere argumenten heb, stem ik in met Janssens conclusie dat gebruik van de o.t.t. al standaard verteltijd voor een héle bijbelvertaling niet is aan te raden.
Dat zit ‘m niet in het vervreemdende effect – dat went, merk ik in de praktijk, hoewel ik nog steeds voor het liturgisch gebruik de Naardense Bijbel bij voorkeur geschikt vindt als het om be- en toesprekende teksten (profetie en poëzie) gaat, niet om vertellingen.
Belangrijker vind ik, dat de wisselingen in tijden, die in Hebreeuws en Grieks hun eigen achtergrond hebben, in het Nederlands onnatuurlijk overkomen, en de lezer daar van alles achter gaat zoeken, dat er helemaal niet achter zit.
Maar dat geldt voor een complete bijbelvertaling. Voor een concrete vertaling van een tekst voor een concreet doel moet je elke keer afwegen wat het beste is, en vergeet dan het presens niet! Als je parafraseert, in een preek; als je navertelt; als je een bijbels theaterstuk, een opera of musical schrijft, dan is het een heel goede mogelijkheid, die je zeker moet overwegen.
* * *
|