Inloggen SCHRIFTLEZING Dirk Monshouwer Stichting
Dertiende zondag van de zomer | Roosterdagen | Zoeken
Rubrieken Agenda De DM-Stichting
Hoe kan ik... Nieuws Vertaalvragen Bijbelvertalingen
Luc. 12,13-21 Rijk en dwaas
1Tim. 1,12-17 Toegekend vertrouwen wekt vertrouwen
Luc. 8,26-39 strijd om menswording
Links

Deze site heeft 273 leden,
waarvan 2 online

Bezoekers
Vandaag: 20

Colofon

1 Koningen 17,17-24
 17    Het geschiedde zo na deze gebeurtenissen:
        de zoon van de vrouw, de vrouwe des huizes, 1 werd ziek.
        Het geschiedde zo: zijn ziekte werd zeer ernstig
        er bleef geen levensadem in hem over.
 18    Zij zei tot Elia:
            Wat heb ik met jou te maken, man Gods!
            Je bent tot mij gekomen om [mij] eraan te herinneren dat ik schuldig ben 2
            en mijn zoon te laten sterven.
 19    Elia zei:
            Geef me je zoon.
        Hij nam hem van haar schoot
        bracht hem naar boven naar het bovenvertrek waar hij verblijf hield
        en legde hem neer op zijn bed.
 20    Hij riep tot JHWH en zei:
            JHWH mijn god
            doet u zelfs de weduwe bij wie ik als gast vertoef onheil
            door haar zoon te laten sterven?
 21    Hij strekte zich driemaal over het kind uit.
        Hij riep tot JHWH en zei:
            JHWH mijn god
            doe toch de levensgeest van dit kind in zijn binnenste terugkeren.
 22    JHWH gaf gehoor aan de stem van Elia
        en de levensgeest keerde in het lichaam van het kind terug.
        Het leefde!
 23    Elia nam het kind op
        bracht het uit het bovenvertrek naar beneden het huis in
        en gaf het aan zijn moeder.
        Elia zei:
            Zie, je zoon leeft.
 24    De vrouw zei tot Elia:
            Nu weet ik dat jij een man van God bent 3
            en dat het woord van JHWH in je mond betrouwbaar is.

Noten
1  Hier wordt de vrouwelijke vorm van ‘de heer des huizes’ gebruikt.
2  Letterlijk: om mijn schuld in herinnering te brengen, maar deze vertaling kan aanleiding geven tot een letterlijke interpretatie (geldschuld).
3  Hier heeft het Hebreeuws niet het ‘neutrale’ ’jš h’lhjm (letterlijk man van de godheid), zoals in vs. 18, maar het specifieke ’jš ’lhjm (man van God). De eerste uitdrukking is de gebruikelijke (51x in Koningen), de man van God treedt behalve hier op in 1 Koningen 13:1, waar Jerobeam inzake de oprichting van gouden kalveren te Betel en Dan tot de orde wordt geroepen; in 2 Koningen 1:10, waar Elia zich tot een officier van Achazja van Israël richt; en 2 Koningen 4:9, waar de Sunammitische vrouw tot Elisa spreekt. In 1 Koningen 17 lijkt het onderscheid tussen man gods en man van God theologische betekenis te hebben: in vs. 18 is de toon van de vrouw afstandelijk, verwijtend, in vs. 24 spreekt zij een geloofsbelijdenis uit.

Afdrukken | vertaling door evert | bij Eerste zondag na Trinitatis
Laatste wijziging 23 May 2010 22:08:37
Reacties: nog geen reacties
Andere vertalingen: 1Kon. 17,17-24 Elia en de Sunammitische