Ruth 2,1-23

 


Vertaling: Willemien Roobol

1
Naomi had een verwant, van de kant van haar man,
een dapper en kloek man uit het geslacht van Elimelech
en zijn naam was Boaz.1
2
Ruth, de Moabitische, zei tot Naomi:
Laat ik toch naar het veld gaan
om aren op te lezen achter iemand in wiens ogen ik genade2 vind.
Zij zei haar:
Ga, mijn dochter.
3
Zij ging, kwam en las op in het veld achter de maaiers.
Het toeval wilde (viel haar toe)3 dat het velddeel van Boaz was,
die van het geslacht van Elimelech was.
 
4
En zie: Boaz kwam uit Bethlehem en zei tot de maaiers:
De Eeuwige zij met jullie!
Zij zeiden tot hem:
Zegenen moge jou de Eeuwige
5
Boaz zei tot zijn jongen, die over de maaiers gesteld was:
Bij wie hoort deze jonge vrouw?
6
De jongen, die over de maaiers gesteld was, antwoordde en zei:
Een Moabitische jonge vrouw is zij,
die met Naomi teruggekeerd is uit het veld van Moab.
7
Ze zei:
Laat ik toch oplezen4 en garven verzamelen achter de maaiers.
Ze kwam en stond vanaf de (vroege) morgen tot nu toe
en haar verblijf thuis was slechts weinig.
8
Boaz zei tot Ruth:
Hoor je het niet mijn dochter?
Ga niet op een ander veld oplezen
en trek ook niet weg van hier,
maar kleef zo aan5 bij mijn jonge vrouwen.
9
Je ogen op het veld, waar zij maaien en ga achter hen aan.
Heb ik de jongens niet geboden om jou niet aan te raken?
En heb je dorst, ga naar de vaten en drink van wat de jongens putten.’’
10
Zij viel op haar aangezicht6 en boog zich ter aarde en zei tot hem:
waarom heb ik genade gevonden in jouw ogen,
dat je mij (er)kent, ik, die een vreemde ben?
11
Boaz antwoordde en zei:
Gemeld is mij,
gemeld alles wat je gedaan hebt aan je schoonmoeder
na de dood van je man,
dat je je vader en je moeder en het land van je geboorte verliet
en ging tot een volk, dat je gisteren en eergisteren niet kende.
12
Moge de Eeuwige jouw daad volledig vergoeden7
en moge jouw loon volledig goed zijn vanwege de Eeuwige,
de God van Israël
onder wiens vleugels jij bent gekomen om je toevlucht te zoeken.
13
Ze zei:
Ik heb genade gevonden in jouw ogen, mijn heer,
want je troost mij,
want je spreekt tot het hart van je dienstmaagd
en ik, niet ben ik (als) een van je dienstmaagden.
 
14
Boaz zei haar, toen het etenstijd was:
Kom hierheen naderbij en eet van het brood
en doop je stuk in de zure saus.
Zij ging zitten aan de zijde van de maaiers
en hij reikte haar geroosterd koren aan,
zij at, werd verzadigd en liet over.
15
Toen stond zij op om te lezen.
Boaz gebood zijn jongens, zeggend:
Ook tussen de garven mag zij oplezen8 en je zult haar niet beschamen.
16
Jullie zullen voor haar zelfs uit de arenbundels trekken,
ja trekken en het laten liggen, zodat zij het opleest.
En jullie mogen niet op haar schelden.
 
17
Zij las op in het veld tot de avond en klopte uit wat zij had opgelezen:
Het was ongeveer een efa gerst.
18
Zij pakte het op en kwam in de stad
en haar schoonmoeder zag wat zij opgelezen had.
Zij haalde ook tevoorschijn
en gaf haar wat zij had overgehouden nadat ze verzadigd was.
19
Haar schoonmoeder zei tot haar:
Waar heb je vandaag opgelezen?
Hoe heb je het gedaan?
Gezegend hij, die jou (er)/gekend heeft.
Toen meldde ze haar schoonmoeder bij wie ze het gedaan had.
Ze zei:
De naam van de man, bij wie ik het gedaan heb vandaag, is Boaz.
20
Naomi zei tot haar schoondochter:
Gezegend is hij bij de Eeuwige,
die zijn blijk van trouw niet nalaat aan de levenden en de doden.
Naomi zei haar:
Een verwant is de man van ons, (een) van onze lossers is hij.9
21
Ruth de Moabitische zei:
Ook heeft hij tot mij gezegd:
Kleef aan bij de jongens van mij
tot ze al het maaien10 voor mij voltooid hebben.
22
Naomi zei tot Ruth, haar schoondochter:
Goed, mijn dochter,
met de jonge vrouwen van hem moet je uitgaan,
zodat ze jou niet lastigvallen op een ander veld.
23
Zij kleefde aan de jonge vrouwen van Boaz om op te lezen
tot het maaien van de gerst en het maaien van de tarwe voltooid waren.
En ze verbleef bij haar schoonmoeder.
 

Noten

  1. De naam Boaz betekent ‘in hem is kracht’. De naam herinnert aan een zuil in de tempel (1Kon. 7:21).↩︎

  2. Het woord חֵן (gunst, genade) komt driemaal voor in dit hoofdstuk (vers 2, 10, 13) en komt elke keer uit de mond van Ruth.↩︎

  3. Het ‘toeval viel toe’, ‘het toeval wilde’ (וַיִּ֣קֶר מִקְרֶ֔הָ, vers 3). Hier klinkt een coïncidentie. Werk van de Geest? Er wordt immers niet verteld, dat Naomi Ruth speciaal naar dit veld heeft gestuurd, omdat Boaz familie is. Zie ook vers 19.↩︎

  4. Het oplezen van Ruth heeft alles te maken met de Torahregels rondom het Wekenfeest, Pinksteren (Lev. 23:15-22), waar wordt geboden om iets van de oogst te laten liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ruth 2 vertelt hoe Boaz zich hier ruimhartig aan houdt. Dit is een contrast met de manier, waarop in het boek Richteren met vreemdelingen wordt omgegaan. Boaz geeft niet alleen uitgebreid ruimte om aren te lezen, hij beschermt Ruth als alleenstaande vrouw ook tegen ongewenste intimiteiten (vers 9).↩︎

  5. Het woord ‘dabaq’ (aankleven) komt driemaal voor in dit hoofdstuk (vers 8, 21, 23). Het verwijst naar Ruth 1:14 en naar Genesis 2:24. Aankleven is een archaïsch woord, maar ik vind deze teksten buitengewoon poëtisch.↩︎

  6. ‘zij viel op haar aangezicht’, in navolging van Buber houd ik het maar bij deze letterlijke vertaling, die vast wel vragen oproept.↩︎

  7. Een belangrijk vers; Hier gaat het om de woordstam שָׁלַם‎, die ik heb vertaald met ‘volledig vergoeden’ en ‘volledig goed’. Ook gaat het in vers 12 om het ‘toevlucht zoeken onder de vleugels van de Eeuwige’. Deze vleugels van de Eeuwige zullen in het volgende hoofdstuk concreet worden in de vleugels van Boaz (Ruth 3:9)↩︎

  8. Torahregels over het aren lezen worden ruimhartig, niet naar de letter, maar naar de Geest uitgelegd. In vers 16 wordt ‘de jongens’ gevraagd zelfs aren uit de bundels te trekken voor Ruth.

    Torahregels:

    in Leviticus 19:9-10 gaat het om aren lezen door de arme (עָנִי, ellendige, nederige) en de vreemdeling,

    in Deuteronomium 24:19 gaat het om aren lezen door vreemdeling, weduwe en wees

    in Leviticus 23:22 gaat het om armen en vreemdelingen

    Ruth is weduwe en vreemdeling en mede daardoor arme of ellendige.↩︎

  9. Het ‘losserschap’ wordt hier al even aangeduid. Dit gaat over het lossen van het erfbezit aan land (Lev. 25:23-28). Dit belooft wat, vooral als deze regel van losserschap gecombineerd zal worden met de regel van het zwagerhuwelijk (Deut. 25: 5-10). In het woord ‘aankleven’, dat door Boaz als eerste wordt genoemd (vers 8), en wat Ruth later overneemt (vers 21, 23) klink misschien al iets van deze belofte door. Maar Ruth ‘kleeft’ als eerste haar schoonmoeder aan (1:14), bij wie ze dan ook ‘verbleef’ (vers 23).↩︎

  10. Vertaal je het Hebreeuwse woord קָצִיר met ‘maaien’ en ‘maaiers’ of met ‘oogsters’ en ‘oogst’? Ik heb gekozen voor maaien in navolging van bijna alle vertalingen↩︎

Scroll naar boven